donderdag 17 september 2020

Dichtersbankje | Al Galidi

Foto: © Peter Bevers | Voorhaven, Harlingen

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Al Galidi⇲

Wandeling door Harlingen

Zonder hond
zonder kat
zonder fiets
loop ik alleen naar zee.
Ik groet een oude man
en zijn hond antwoordt: ‘Hij is doof’.

Ik loop door
en groet een hond.
Zijn baas antwoordt:
‘Hij houdt niet van vreemden.’

Ik blijf lopen en zie een fiets een vrouw leiden.
Ik ren en zie een hond die zijn baas uitlaat.
Ik wandel en zie een hond fietsen.

Ik kijk door een raam, misschien zie ik iemand,
maar ik zie alleen een kat naar me kijken
die roept: ‘Wat een wereld!’

Ik doe mijn ogen dicht en ga verder.
O, wat moeilijk om in Harlingen te wonen
zonder hond
zonder kat
zonder fiets.

Al Galidi
uit: ‘De fiets, de vrouw en de liefde’, 2002



donderdag 10 september 2020

Dichtersbankje | Toon Hermans

Foto: © Albert Hagenaars | de Geerstraat | Heerlen


Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Albert Hagenaars: Toon Hermans⇲

Bomen

als ik de bomen zie
gemaakt van hetzelfde leven
maar dan met stam en tak en twijgen
als ik de bomen zie
dan luister ‘k altijd even
naar hun fantastisch zwijgen

ik heb de storm zien komen
hij sloeg ze half kapot
verstild zag ik ze dromen
of dansen, zomerzot

ik zag hun angstig beven
in donker en in licht
en zie mijn eigen leven
in hun verweerd gezicht

Toon Hermans

maandag 7 september 2020

Dichtersbankje | Gerrit Krol

Foto:  © Peter Bevers | Vennenplein | Delfzijl


Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Gerrit Krol⇲

Delfzijl

Het spoorbiljet werd in de trein reeds afgegeven.
Hier ligt het laatste plein voorgoed,
breedvoerig om te laten gaan
ieder die schedelgevoelig langs de dakgoten

zich voortrept, het water haastig
bereiken wil, de Pieter Koertsz ziet
met de ketting aan de stadspoort,
de Bermuda, een Chileen.

Hier staat men eenzaam op de brug
in 't holst van deze morgen,
om op het eb te zien weerspiegeld

de Soda dreunend aan de overzij.
Hier komt een fietser koud voorbij.
Hier heerst een stille regen


Gerrit Krol

uit: 'Hollands Maandblad', 6 1965.

vrijdag 28 augustus 2020

Dichtersbankje | Peter John Koets


Foto: © Peter Bevers | Vrouwtje van Stavoren | Stavoren

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Peter John Koets⇲

Het Vrouwenzand

1.
Aan bakboord in aan stuurboord uit!
Weg met het nietig graan
Zo sprak de weduwe in sameet
Met paarlen overdekt gekleed
vergramd een zee-man aan.

Niet één in schatrijk Stavoren
Was zo maatloos rijk als zij
Haar schepen ploegden elke zee
en voerden van de verste ree
steeds nieuwe schatten bij

2. “Nu breng”, beval zij eens grillig trots
“Nu breng van Noordse strand
Mij edelst wat uw oog aanschouw
Geen hoge prijs die mij onthou
Ga dien mij met verstand!”

Toen had de scheepsvoogd lang gewikt
Bij het onbeslist besluit
“In' 't eind wat zou boven het graan
de glorie van het noordoosten gaan?”
Zijn weifelen had uit

3.
Hij keert, zij komt, hij toont de schat
Die proef geeft van zijn trouw
Maar zij ontkleurt in woede en waan;
“Wat scheepszij hebt gij ingelaan”?
“Aan bakboord eedle vrouw

Aan bakboord in, aan stuurboord
weg met dat kaf in zee!...
Is dat het uitverkoren deel
Mij toegedacht? ...'t Is mij teveel
Weg met dat kaf in zee

4.
Neen roept het scheepsvolk, “Neen mevrouw!
Dat wierp te zwart een blaam
Alsof gij in vermetele spot
de giften smaaddet van uw God
Voor eeuwig op uw naam!”

En trillend: “Wie betaald het goed
waarover ik beschik?
Wie ben ik? Uwe meesteres?!
Wie vraagt, wie duld uw zedeles
In zee, 'k gebied het; Ik!”

5.

“Ach vrouwe! Een deel aan ons een deel”
Krijt's armen luiden toon
“Wie armoe bijstaat in haar nood
Wint zich voor geschonken brood,
Des Heeren gunst tot loon!”

“Des Heeren gunst.. 'k Behoef ze niet
'Ben met mijn' tevree-
En 'k deel wie mij een aalmoes vraagt
Wanneer en zo het mij behaagt
Maar nooit om gunsten meel”

6.
” Boet vrouwe!” klinkt een achtbre stem-
“Boet af die schrik-bre schuld!
Uw trotsheid raakt ten wisse val...
Weet dat de dag eens komen zal
Wanneer gij beedlen zult!”

“Ik beedlen! ....Priester als deez' ring
Die aan mijn vinger blinkt,
Weer uit de golven opgedoemd
Uw leugentaal mij waarheid roemt..
Niet eer....” 't Juweel verzinkt!

7.
En nauw verving ten tweede maal
Weer 't licht der duisternis
Daar toont bestorven als de dood
De kok haar 't fonkelend kleinood
Gevonden in een vis.

De roede trof – en zee en vuur
en rampen zonder tal
Bewezen aan de snode vrouw
Die ' Heren gunsten derven wou
Hoe hoogmoed komt ten val!

8.
Nu was in schatrijk Stavoren
Niet één zo arm als zij:
Nu smeekte zij in bittre nood
In 't snakken naar een stuksken brood
“Erbarm u over mij!

9.
Was of de vloek haars overmoed
Zich stortte op heel de stad:
Het blinkend mooie Stavoren verviel
Het wrekend zand weerde elke kiel
Die eens haar waat'ren mat.

Nog ziet men daar tot op deze dag
aan woest en eenzaam strand
Een veld van loze halmen staan-
Zij spreken van van 't verworpen graan
De vloek van 't “Vrouwenstrand”




maandag 24 augustus 2020

Dichtersbankje | Hendrik Carette

 
Foto: © Peter Bevers | Relweg. Wijk aan Zee

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Hendrik Carette⇲
 

Eeuwig roersel

Aan de grazige weiden van het koele waterland
hertaalde de vernuftige Bruggeling Simon Stevin
de Latijnse term perpetuum mobile
in zijn helder Nederduits als eeuwig roersel.

In het jaar 1602 reed zijn houten zeilwagen
op het zand van een strand in het bevrijde noorden
met aan het roer de kordate prins Maurits
de latere moordenaar van Johan van Oldenbarnevelt.

De hoge zeilen klapperden in de voorjaarswind
en de voortgang van dit zwaar beladen landschip
vond plaats in het streng ingedijkt polderland
aan de grazige weiden van het koele waterland.