Posts tonen met het label Paul van Ostaijen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul van Ostaijen. Alle posts tonen

vrijdag 7 augustus 2026

Dichtersbankjes | Paul van Ostaijen

Foto: Peter Bevers | 'Van Gogh-brug', Arles 

Uit de collectie Bert Bevers 👉 (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Paul van Ostaijen 👉


Vincent van Gogh

I.

Profeet van Pâturages en zuiderzonminnaar,
maar meer dan dit: diepbewogen dichter
die de zware dingen van buiten licht schiep,
herschiep als de kompleet blauwe lucht, -
herder die het onvruchtbare gebeuren
van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keure
van frisheid... In ons zelve hebben wij de Jordaan;
allen die nog Godsvreemd en belâan
met de erfzonde zijn, -
de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken
en de loutering, dit is de permanente zege in ons:
patos en tragiek,
dit het innerlike, daarom het heilige 'veni, vidi, vici', -
al die machteloze vreemdelingen van buiten,
al de gebeurtenissen
zullen wij godskinderen verfrissen
door het heiligmakende water van onze Jordaan.
Kunst is de alles overstelpende liefde
en de alomvattende.
Als de zoon van Tobias die ter genezing van zijn vader
uittoog naar een ver land, en daar de vis
haalde met de kieuwen uit het water:
de ogen van zijn vader het licht schonk.

Kunst is de liefde in elke daad.
Kwintessens. En het volledig liefde zijn.
En dit is liefde als Vincent deed:
de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed
dat vreugde wordt, levend maken.

Niet het zijn of niet te zijn is de levensopgaaf,
maar het misterie van het zijn vult alles.
Het eigen zijn. Dat over alles te leggen.
Wordt eigen zijn van de omgeving.
Alles te vervormen, te martelen, te doden
tot schoonheid.
Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te verbreden.
Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je zelf:
Bron van den aardbal.
Vincent. Zo is hij.
Hij is niets en hij is alles.
Als de priester: meester en dienaar.
En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk
is plots onder de adem van liefde, bloed geworden.
Levende drank.

II

Meer dan uw werk. Dit is het grote,
het oneindige. Het venster
op de ganse wereld.
Ook alles wat in de verte schijnt
strekt zich daarbinnen deinend uit.
Een venster is alles.
De ganse wereld ligt binnen éen venster.
Men zal dan van uw werk houden,
wanneer het beurtelings met de geslachten
bloem, steen of eik zal geweest zijn.

Heel jong, - nauwlijks had ik je herkend, - heb ik gevraagd:
'Vader, die kiezel is zo schoon,
hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen?
Maar zie deze ronde schijf in de zon.'

Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen
als vingers van de bomen.
Vingers zijn verlangen van lange, lome
lust. In de boomgaard hangen kersen,
aan lange, stramme takken,
vruchten die zich saampersen
als kinderlippen. Niet tastbare gloed
waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening.

'Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand
van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand.'

III

Leed als de golven van de oceaan
die baren witte blaân
van bloesems. Leed als van blaren aan
de bomen. Bomen die kruinen worden,
kruinen: der bergen wit gehelmde horden.

Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik
in het dragen aller leed,
wordt scheppend leven weer.
Wie al de noodbaren in zich stort,
tot een fontein van helder water wordt hij weer.
Wie leed als landen torst
draagt in zijn flank de vruchtbaarheid
van honderdduizend zielen.

IV

De stem van Vincent

Laat ons de blaren
van alle leed vergaren.
De aarde, ook vermoeid,
heeft nooit dode
blaren gedragen.
De aarde wondt
om, in de driedagestond,
te laten herrijzen
onder de loodzware kus van de liefde.

En is die kus weerom licht leed,
leed, dat alles is, - Ik ben Die is, -
o, laat deze zoen niet verloren gaan
want elke zoen is gloên van goed.

Nooit wassen dode vruchten
aan de bomen.
De pijnen snikken eeuwig
en laten hun lange tranen als vingers vallen.
Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt,
houdt op het leven leed te zijn.

V

Kristus, Verlosser. Het Kruis
vergaarde al het leed.
Toen wierp hij weg het huis
van zijn leed.
Drie dagen en de schildwacht schrok.
De kunst is groot.
Een kruis van leed...
dan valt het huis
maar alles blijft.

En telkens woont
't woord onder ons
dat ons beloont,-
nieuw.
De weg van de Verlosser,
de weg van het leed:
een hoogvlakte van geluk.


27-30 oktober 1917

Het Sienjaal Paul van Ostaijen



donderdag 4 december 2025

Dichtersbankjes | Paul van Ostaijen

Foto: Bert Bevers | Floris Jespers - Zigzag' Galerie Campo Grote Steenweg Berchem


Uit de collectie Bert Bevers 👉 (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers:

Paul van Ostaijen 👉


Hulde gedicht aan Singer 👉

woensdag 21 november 2018

Dichtersbankje | Paul van Ostaijen

Foto: © Bert Bevers | Scheldebron | Gouy

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Paul van Ostaijen⇲

Melopee

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

© Paul van Ostaijen

donderdag 1 maart 2018

Dichtersbankje | Paul van Ostaijen

Foto: © Bert Bevers | Kaasrui | Antwerpen


Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Paul van Ostaijen>




© Paul van Ostaijen 

zaterdag 25 juni 2016

Dichtersbankje | Paul van Ostaijen

Foto: © Bert Bevers | Belevingscentrum 14-18 | Tildonk

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Paul van Ostaijen>

Aan een moederHaar zoon viel op het slagveld
Je hebt me gezegd: <Mijn zoon is gevallen,-
jij hebt hem niet gekend, zijn voorhoofd niet,
of zijn lippen niet
of zijn handen; geen van allen
die nu naast mij zijn, hebben hem gekend,
maar enkel waar mijn zoon is gevallen,-
op het veld van eer.
Als ik stappen hoorde op de straat
zei ik: zo zal zijn heimkeer
zijn. Dat luisteren en verwachten hoeft nu niet meer.
De penningen die ik heb willen besparen
om hem een jas te kopen,
liggen nog in de kast, naast de oorlogprentjes
uit zijn jeugdjaren.
Je moest voor mijn zoon een gedicht maken,
dat leg ik dan naast de prenten in de kast.>

Ik weet, moedertje, je zou graag lezen:
<Wapengeweld, slagveld, held,>
want als een eervolle trits, heeft men je die woorden voorgespeld,
en van je zoon heb je niets meer dan dat.
Woorden die je troosten moeten,
omdat je je zoon niet meer zult wekken;
je zult zijn koffie niet meer bereiden,
steeds als de klok dezelfde uur slaat,
hem nooit meer nakijken als hij de straat langs gaat
en nou moet je niet meer de woorden bepeinzen
die je hem zeggen zou
in stervensnood.

Slagveld, veld van eer,
vaderland, en de zaak van het recht.
Maar ook staat dit geschreven:
Je zult niet liegen, niet bedriegen.
De laatste kreet van je zoon was: <Moedertje,
belieg mij niet, belieg mij niet.
Mijn vaderland is dood, in de zoenegloed
van mijn moeder die ik derven moet.> -

Je zoon, moedertje, viel niet voor een gerechte zaak,
maar zijn bloed werd hem afgeperst door allen,
omdat ons de menselike goedheid is ontvallen.
Maar ik, wij, wij allen zijn de moordenaars van je zoon
en elk woord als eer en held is smaad en hoon.
Elk soldaat die valt in de krijg, hij werd getroffen
door een sluipmoordenaar.
Dit zijn wij allen, allen die het geloof verloren.

Je zoon heeft me gezegd: dit is de goede weg,
en ik heb hem gewezen: ja, die weg is de ware.
Wij hebben gelogen.
<Demokratie>: wij hebben bedrogen.

Als je zoons zoen aan de bloednatte Aarde
nu niet de waarheid heeft vrijgekocht, betaald met zijn warm vlees,
dan is er weer niets gebeurd.
Om je zoon, om je zoon die viel,
werp de glazen kralen van je dwaze woorden weg.
Als je zoon die viel,
als mijn broeder die nog in de kiel
staat van de loopgraven, als al de zoons en al de broers,
als de miljoenen verlossers,-laatste teken van de visfiguur,-
die weerom brengen de bloedige offerande op dit uur,
volgens de oude wet, als de miljoenen kruisen,
die zij niet te dragen hadden, dan enkel houten armpjes
en rij aan rij, niet hebben vrijgekocht
de nieuwe erfzonde van machtbegeren
en van waan,
dan wordt dit sakrifisie, volgens de oude wet gedaan,
weer nutteloos.

Alles is schoonheid. -Herinner je nog je zoon
toen hij tegenover je aan de ontbijttafel zat. -
wij moeien ons eigen geweten, ons begrijpen bevrijden
van de waanzonde.

De miljoenen zwarte fatum-kruisen
zijn zwijgend, maar hun zwarte, wijd-open wonde
heeft het woord gevonden: Alles is waan, alles is zonde;
levenden, vergaart de kleine krachten die u nog blijven
tot geloof in het levende leven.
Alles is zo grenzeloos schoon, luistert naar dit ontluikend begrijpen
in ons geweten.


Uit: Paul van Ostaijen - Het Sienjaal - 1918