Posts tonen met het label A.C.W. Staring. Alle posts tonen
Posts tonen met het label A.C.W. Staring. Alle posts tonen

maandag 28 januari 2019

donderdag 30 augustus 2018

Dichtersbankje | A.C.W. Staring

Foto: © Hans Mellendijk | Almen | Dorpstraat | Kerk 

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mellendijk: A.C.W. Staring⇲



DE HOOFDIGE BOER

(Een Zutphense vertelling)


Elk weet, waar 't Almens kerkje staat,
En kent de laan, die derwaart gaat.
Een duiker perst daar, onder 't spoor,
Zijn schuim tot in de Berkel door;
Al golft rondom de wintervloed,
Men komt ter preek met drogen voet.

Eens was het anders hier ter stee,
Wanneer een voord den weg doorsnee,
En 't brugje, naast die voord geleid,
Den smaad droeg van zijn nieuwigheid.
Ik vond een boek, dat meldt daarvan,
Wat volgen moet, zo 't rijmen kan.

De voord, dan min dan meerder diep,
Naar sloot en scheigrep stond of liep,
Was Almens ganse tempelschaar _
Vooral de Meisjes! tot bezwaar:
Met schade aan dure feestkledij
Kwam menig aardig kind niet vrij;
Men raakte in zweet op 't lange pad;
Men vatte koude in 't modderbad;
En de ijver om ter kerk te gaan
Bracht buikpijn en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet
In Almens needrig dorpsgebied;
Van toen de Meid per bezemstok,
Den schoorsteen uit daar overtrok,
Tot, na verloop van eeuw en dag,
De Toverkunst begraven lag;
Wanneer een kerkendienaar kwam,
Die 't oud gebrek ter harte nam,
En, op een morgen, na 't sermoen,
Zijn woord aldus begon te doen:

"Mijn Vrienden, in mijn prille tijd,
Ten herder van dit oord gewijd,
Zwom ik, met onbezweken trouw,
Mijn kudde voor, naar 't kerkgebouw.
Ook heden nog, hoe grijs van kin,
Schoot ik getroost den slibkuil in;
Maar 't wil niet meer, en blijft het dus,
Zo heet ik ras emeritus.
Met drogen hoest en jicht bezocht,
Verlaat mij kracht en ademtocht.
Nog tweemaal als van daag doorweekt,
Eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

Een Brug, op 't smalste, naast de voord,
Uit planken van 't geringste soort,
Ziet daar mijn wens! Vergeet toch niet,
Wat ge in dien poel al schoenen liet!
Denkt aan uw kostlijk zondagsgoed,
Bedorven door dien moddervloed!
Licht vindt gij, eer het werk verjaart,
Uw uitschot dubbel ingespaard;
En ik behoef dan baai noch drop,
En luik weer als een arend op!"

Hier zweeg de Man. Zijn aanspraak had
De luidjes bij hun zwak gevat.
Het stuk kwam ernstig op 't tapijt;
En wat men hoorde wijd en zijd,
Was, viermaal dertig dagen lank,
Slechts palen, balken, rib en plank;
En, driemaal dertig andermaal,
Slechts planken, ribben, balk en paal!
Ja, 't scheen, zover de Berkel vloeit,
Zou' ieder boord met hout beschoeid;
Of dat een reuzenzoldering
De ganse stroom verdekken ging.
Doch, met aprilmaands lesten dag,
Moest blind zijn, die de brug niet zag!
Nog blinder, die met juli kwam,
En niets van 't groen portaal vernam,
Ter dankbetonende offerand,
Door 't Maagdengild daarop geplant!

't Had reden! want, hoe kerks men was,
De vlierpot bleef nu in de kas;
Kalmink noch sergie liep gevaar;
En schoenloos werd geen wandelaar.

Zo groeide een wijsgegeven raad
Ten milde oogst van zegenzaad!

En toch, dat werk, met roem bedekt,
Had Scholte Stugginks gal gewekt!
Daar kwam hij! Zonder ba of boe;
Gelaarsd, tot aan de heupen toe;
Een knubbelstok in iedre hand
Kwam onze Paai, en stak van land,
Zo vaak de preekklok werd gehoord,
De brug bezijden, in de voord!
Het vroegre kerkvolk, droog daarnaast,
Was van dit vreemd bedrijf verbaasd,
En 't vragen keek uit elk gezicht;
Doch ieder hield zich wijslijk dicht:
De troep kwam later op het pad,
Waar Scholte Stuggink praat voor had:
Zijn makkers, uit den gulden tijd,
Dien vlieger, tol en bal verblijdt.
't Waarom en 't hoe bleef dus gespaard,
Tot Wolter, naar den eis bejaard,
Door gunstig toeval, juist van pas
Getuige van 't spektakel was.

"In Goôs naam, zeg ons, Scholtebuur,"
Hief Wolter aan, "wat raarder kuur!
Hoe plompt gij ons zo dol voorbij?
Geloof, de brug draagt u en mij!"

"Ja," klonk het uit de modderzee,
"De Scholtebuur en gij zijn twee!
Gelooft hij niet wat gij gelooft:
Zo menig mens, zo menig hoofd.

Zie daar! al werd uw brug van steen,
Toch zal ze Stuggink nooit betreen!
Wie ere geeft krijgt eer weerom:
Onze ouders waren ook niet dom!
Een brug valt licht in een te slaan;
Onze ouders hebben 't nooit gedaan;
Zij gingen, waar nu Stuggink gaat,
Eeuw in eeuw uit, de modderstraat.
Al weten wij de reden niet,
't Is vast op goeden grond geschied;
En hebt gij hier een brug gemaakt,
Zo hebt ge uw' ouders eer geraakt!
Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;
De klok houdt op; 't is negen uur.
Bouwt GIJ een BRUG om droog te gaan?
IK kom er ook, met LAARZEN aan!"


A.C.W. Staring | Gedichten |
N.V. Uitg. Mij Elsevier | Amsterdam | 1940



dinsdag 3 oktober 2017

Dichtersbankje | A.C.W. Staring | Sander Grootendorst

Foto: © Hans Mellendijk | Kleingartenverein Mühlenfeld. Lublinring, Münster | 
Project: Speak to the Earth and it Will Tell You | Jeremy Deller

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mellendijk (Skulptur-Projekte Münster 2017): A.C.W. Staring en Sander Grootendorst.


Herdenking

Wij schuilden onder dropplend loover,
         Gedoken aan den plas;
De zwaluw glipte 't weivlak over,
         En speelde om 't zilvren gras;
   Een koeltjen blies, met geur belaân,
   Het leven door de wilgenblaân.

't Werd stiller; 't groen liet af van droppen;
        Geen vogel zwierf meer om;
De daauw trok langs de heuveltoppen,
        Waar achter 't westen glom;
    Daar zong de Mei zijn avendlied!
   Wij hoorden 't, en spraken niet.

Ik zag haar aan, en diep bewogen,
        Smolt ziel met ziel in een.
O tooverblik dier minlijke oogen,
           Wier flonkring op mij scheen!
      O zoet gelispel van dien mond,
      Wiens adem de eerste kust verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenloover;
       De scheemring was voorbij;
Het duister toog de velden over;
       En dralend rezen wij.
   Leef lang in blij herdenken voor,
   Gewijde stond! geheiligd oord!

Andenken

Wir schützten uns im Laubes Rieseln,
        Versteckten uns am Teich;
Die Schwalbe spielt’ über den Wiesen,
        Das Gras war silberweich;
    Ein Lüftchen duftete mehrfach,
    Belebte so das Weidendach.

Das Grüne hörte auf, zu triefen;
        Kein Vogel flog vorbei;
Der stille Tau stieg aus der Tiefe,
        Im Westen schien der Mai;
    Es sang sein Abendlied das Licht!
    Wir hörten es und sprachen nicht.

Ich sah ihr an, wir beide spürten:
        Zwei Seelen wurden eins.
O Augen, die mich tief berührten,
        Ein Zauber, so wie keins.
    O süßen Mundes Lispelklang,
    Der den ersten Kuß verschlang.

Uns schützten friedlich nun die Blätter;
        Vorbei die Dämmmerzeit;
Das Düster zog über die Äcker;
        Wir standen auf zuzweit.
    Leb’ fröhlich im Andenken fort,
    Geweite Stund’! Heiliger Ort!


© Vorden 1840, A.C.W. Staring   |© Zutphen 2016, S.J. Grootendorst