woensdag 1 juli 2015

Dichtersbankje | Martinus Nijhoff

Foto: © Bert Bevers | Brugstraat | Antwerpen

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Martinus Nijhoff>

DE MOEDER DE VROUW

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd-
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam 
langzaamaan stroom af door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o dat daar mijn moeder voer.
Prijs God zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

© Martinus Nijhoff

zondag 28 juni 2015

Dichtersbankje | Hans Mellendijk

Foto: © Peter Bevers | Fluisterbank | Westergasfabriek | Amsterdam

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Hans Mellendijk>

Fluusterdingen | Loofgangen | Groningen

Fluusterdingen


’n Zucht tussen de boomkozienen.

'n Stoet gedempte fluusteringen,
Ónafwendbaor.

’n Vlucht schoolherinneringen,
Pas op, i’j daor!

'n School opgeviste dingen,
Ónbedaorbaor.

'n Zwarm vluchtige vraogen,
Jao èh nae maor, …

'n Dróm vraogteikens te raoden,
Ónafzienbaor.

’n Ri’j dansbaore stemmen, mien kind,
Lispelt fluusterzingend in de wind.

Óngenaakbaor,
Siesterend en huppelklaor,
Ónnaovolgbaor.

’n Trop stoeten vól met rozienen.

Hans Mellendijk

woensdag 24 juni 2015

Dichtersbankje | Henk Krosenbrink

Foto: © Hans Mellendijk | Landgoed Kemnade | Wijnbergen

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mellendijk: Henk Krosenbrink>

Harfst


Laot mi’j nog ene maol
den warmen wien
van owwe jonkheid drinken
en gao dan hen.
Ik zal dan zitten
bi’j ’t läöge glas
en zeen hoo olde beume
zich ontbladert.
Ne spinnekop mek dräö  mi’j
tussen hand en glas
waoran de träöne dauw
straks wadert.
Vaor mi’j nog eenmaol zat
van owwen wien
en gao.
Maor kiek neet umme
hoo ik stao
en nevel um mien heufd
zich wasemt.


Weer september | Beltman-podium | Ulft | AST 4-8-2013

maandag 22 juni 2015

Dichtersbankje | Barthold Hendrik Lulofs

Foto: © Peter Bevers | Parc Columbus | Huelva | Spanje

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) voorraad Mannen van Bevers: Barthold Hendrik Lulofs>

Columbus, bij het eerste gezicht van Amerika

Zijt, zijt gegroet, ô zaalge velden,
Door 't jeugdig morgenlicht bestraald!
Gij bossen, bergen, beken, beemden,
Waar langs mijn blik, als dronken, dwaalt!
ô Groot, ô nameloos verrukken,
Dat in mijne aadren bruist en gloeit!
O, 't zal mij eindlijk dan gelukken,
'k Zal eindlijk dan de bodem drukken,
Die heel mijn ziel en zinnen boeit!

Heb dank, heb dank, ô eeuwig Wezen,
Wiens oog het gans Heelal doorziet!
Dan ach! mijn tong moog klanken staamlen,
Naar waarde danken kan ze U niet.
Gij, die in mijne borst dat smachten
Naar 't verre strand ontvlammen deed,
Gij gaf mij moed, geduld en krachten,
Der dwaze schimptaal te verachten,
Hoezeer hun spot mij 't hart doorsneed.

Naar 't Westen, Westen heengestevend!
(Dus klonk uw stem in mijn gevoel)
Naar 't Westen, Westen volgehouden;
Daar ligt het groots, het heerlijk doel!
Houd moed, hoe lang ook niets dan baren
En lucht u blauwen voor 't gezicht,
Wat waterplas ge ook mocht bevaren,
En ge echter steeds met vruchtloos staren
De blik naar 't Westen houdt gericht.

Ik hield die moed, - U, U zij de ere! -
Hoe vaak op nieuw het zonlicht scheen,
Sinds 't machtig Spanje aan Palos stranden
In 't wijkend vergezicht verdween;
Hoe afgemat mijn blik ook dwaalde
Aan 't eind der wester hemeltrans;
Maar ach! 't zij Hesper vriendlijk straalde,
't Zij 't morgenrood in 't Oosten praalde,
Slechts golven blonken in hun glans.

Doch toen het dondrend oproerkraaien
Der scheepsliên mij in de oren klonk,
Als hun, bij 't vruchtloos voorwaarts streven,
Geen enkle straal van hoop meer blonk;
Toen rampen zich op rampen tastten,
Toen 't schimpend rot zich in mijn schand',
In mijn verguizing zou vergasten,
Toen, toen klonk uit de top der masten
De vreugdekreet: ‘het land! het land!’

ô Gij, uw groenend hoofd verheffend
Uit zilvren baren, heerlijk land!
Ras zullen Genuas banieren
In 't koeltje wappren van uw strand!
Maar neen! - in mijner Vadren streken
Werd ik met hoon en spot belaan;
Toen 'k daar van wisse hoop dorst spreken,
Daar hulp en bijstand af wou smeken,
Zag elk mij als een' dromer aan.

En ginds, waar Lisbons Koningswallen
Zich spieglen in de trotse vloed,
Die door het goud van zijne zanden
Zijn spattend zilver bruisen doet;
Daar..... 'k mocht er 's Vorsten zetel nadren,
Men hoorde mij doorslepen uit,
Doch zond - ô schelmstuk van verradren!
Nog kookt mij 't ziedend bloed in de aadren -
Een' lafaard naar de verre buit.

Moog Spanje dan de vruchten oogsten,
Door 't wester aardrijk voortgebracht,
Door Genuas en Lisbons heersers,
Als hersenschimmen, dwaas belacht!
Moog dan Castielje lauwren plukken!
Komt, broeders, riemen in het zout!
O! 'k smacht naar 't bovenaards verrukken,
Die grond, die heilge grond te drukken,
Die thans Euroop door mij aanschouwt.

Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1813
schrijver

vrijdag 19 juni 2015

Dichtersbankje | Wim van Til

Foto: © Bert Bevers | Crematorium Chrysant Wilrijk 

Uit de collectie Mellendijk (keuze dichter en gedicht) vorraad Mannen van Bevers: Wim van Til>


tien over rood



leeg is het laken tot de schrijver deelt, spat
inkt van wit naar wit, zeemeeuw ben je, merel


met de kers en leeuwerik – ochtendzang
bindt bed, paart pen aan water 


wim van til (sirenengang sirenenzang)